Doorzoek hier de website

Kerkdienst

Hoe verloopt onze kerkdienst/samenkomst?

Als we aan een dienst denken, dan stellen we ons waarschijnlijk een bijeenkomst voor zoals je kunt zien op de eerste foto, of op de tweede of derde.

Als we goed kijken – maar daarvoor hoeven we niet eens goed te kijken – hebben ze allemaal duidelijk iets gemeenschappelijks: in alle gevallen zitten of staan mensen namelijk naast en achter elkaar en kijken ze naar voren. En dat is vele eeuwen al zo. Eigenlijk heel verbazingwekkend, toch? of niet?

Zelfs in de meest charismatische kringen zien we hetzelfde, en dan nog meestal met een flink podium voor de band en voor andere optredens.

Altaar – kansel – podium, hoe komen we op het idee?

Ik heb lang zitten googelen, maar ik heb niet kunnen ontdekken wanneer in de kerkgeschiedenis die opstelling normaal werd.

De synagogen hebben en hadden vaak een meer open opstelling: tegenover elkaar of in een halve cirkel.

Maar is dat allemaal wel zo belangrijk om daarmee bezig te zijn?

Als de mis maar gelezen wordt – zal de katholiek zeggen.

Als het Woord maar gepredikt wordt – zegt de protestant.

Als de Geest er maar is – zegt de pinksterchristen.

Maar als we in de Bijbel lezen over samenkomsten, dan komt er een heel ander plaatje tevoorschijn dan wat we tegenwoordig in de praktijk zien, en misschien is het best wel belangrijk om dat goed met elkaar te bestuderen.

Maar eerst even over de (geestelijke) kandelaar – deze staat centraal in dit verhaal.

 

De kandelaar

Een paar jaar geleden zag een zuster een visioen waarin God een kandelaar in het midden van de universele kerk/gemeente plaatste.

Een jaar later zag ze eenzelfde visioen waarin God de kandelaar aan een plaatselijke gemeente aanreikte maar deze weer langzaam terugtrok omdat er te weinig handen waren om hem aan te nemen.

We zien in het boek Openbaringen dat Jezus in de brief aan de gemeente van Efeze zegt dat wanneer zij zich niet bekeren Hij de kandelaar weg zou nemen.

Wat is die kandelaar?

Het was een standaard met zeven armen met zeven olielampjes die in de tabernakel en in de tempel stond. Het symboliseert de aanwezigheid van de heilige Geest.

Bij de meeste gemeenten was deze geestelijke kandelaar verdwenen, maar ze zijn daarna gewoon door blijven functioneren. Kerkje spelen is niet zo moeilijk.

De Geest was er niet of nauwelijks meer, maar de vorm was gebleven en die kreeg zelfs steeds meer aandacht en er ontstonden rites en ceremoniën.

Vele eeuwen lang al hebben de meeste kerken geen kandelaar meer, of alleen wat walmende vlaspitten. Maar langzamerhand klimt de kerk uit het grote dal en beginnen gemeenten links en rechts hun kandelaar te ontvangen. Wat dat betreft leven we in een heerlijke en spannende tijd.

Als je goed leest wat de zonden waren in de zes van zeven gemeenten in Openbaringen waar Jezus tegen sprak, dan kun je dat samenvatten onder: afgoderij (losbandigheid) en lauwheid. Dat doet het vuur in de kerk doven. En twee van de zeven gemeenten hadden last van de leer van de Nikolaïeten, waarvan Jezus zei dat Hij die leer haatte. Het is nog moeilijk te achterhalen wat die leer precies inhield. De naam Nikolaïeten bestaat uit twee Griekse woorden die ‘heersen’ en ‘volk’ (‘leken’) betekenen. En daarom wordt er onder andere gedacht aan een leer van scheiding tussen de geestelijkheid en de leken. We zien dat al heel snel in de vroege kerk ontstaan en denk maar aan de katholieke kerk zoals die nog altijd is, met nog de overblijfselen van het oude wereldse Romeinse systeem.

Het protestantisme heeft dat niet allemaal kunnen corrigeren. Luther wilde wel, maar de dominees kregen uiteindelijk weer zo’n zelfde positie als de priesters in de katholieke kerk, en zo ook veel voorgangers in evangelische gemeenten – ze vormen weer een “geestelijke bovenlaag”.
En veel kerken hebben dan misschien geen altaar of kansel meer, maar wel een podium. Daarvandaan wordt de gemeente bediend door de aanbiddingsleider en de prediker.
Maar als je leest wat Paulus zegt, dan is dat helemaal niet de bedoeling. De volgende teksten zijn als het ware een blauwdruk van hoe het zou moeten/mogen/kunnen.

I Kor. 14:26 staat:
Wanneer u samenkomt draagt iedereen wel iets bij: een lied, een onderwijzing, een openbaring, een uiting in klanktaal of de uitleg daarvan.

En verder in vers 29-31:
Laat van de profeten er telkens twee of drie spreken; de anderen moeten het beoordelen. Wanneer aan iemand die nog op zijn plaats zit iets geopenbaard wordt, moet degene die op dat moment spreekt verder zwijgen. U kunt ieder op uw beurt profeteren, zodat ieder van u kan worden onderwezen en bemoedigd.

Zo verloopt dus een normale dienst als de heilige Geest de leiding heeft.

Maar wij doen dit dus niet, verre van dat zelfs. Wij zitten op kerkbanken of stoelen die achter elkaar staan en kijken naar voren om te zien wat daar gebeurt – een soort theater dus, zelfs de meest charismatische gemeenten doen het zo. Dat heeft gewoon weinig met een Bijbelse gemeente te maken.

De samenkomsten zoals Paulus beschrijft zijn niet mogelijk zonder die kandelaar in het midden en zonder de doop in de heilige Geest van de afzonderlijke leden. Veel denominaties hebben nog iets tot veel moeite met de heilige Geest, dus eigenlijk met God zelf, want de heilige Geest vertegenwoordigt God nu op aarde, zoals Jezus dat tijdens zijn leven deed.

In I Kor. 12:7-10 staat:
In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente. Aan de een wordt door de Geest het verkondigen van wijsheid geschonken, aan de ander door diezelfde Geest de gave van kennis; de een ontvangt van de Geest een groot geloof, de ander gaven om te genezen. En weer anderen de kracht om wonderen te verrichten, om te profeteren, om geesten te onderscheiden, om in klanktaal te spreken of om uit te leggen wat daar de betekenis van is.

In iedereen” zegt Paulus, dus het is normaal dat iedereen wel wat van die gaven heeft. Maar hebben we dat wel? Zien wij die gaven wel werken in onszelf?

Zo niet, hoe zou dat komen? En dan niet zeggen dat het niet van deze tijd is, want dat is geen ‘wijsheid’ die uit de Bijbel komt. En niet zeggen dat God het niet wil geven, want Hij wil niets liever dan de gemeente sterk in Zijn kracht te maken en door haar heen de wereld te zegenen en mensen te redden.
Voor verdere studie van die gaven, klik hier.

Zichtbaar staat er ook in de tekst, dus niets vaags aan.

In Handelingen staat het verhaal van Filippus die in Samaria predikte en vele mensen tot geloof had gebracht en had gedoopt. Dan staat er verder in hoofdstuk 8:14-19:
Toen de apostelen in Jeruzalem hoorden dat de inwoners van Samaria het woord van God hadden aanvaard, stuurden ze Petrus en Johannes naar hen toe. Nadat ze waren aangekomen, baden ze dat ook de Samaritanen de heilige Geest mochten ontvangen, want deze was nog op niemand van hen neergedaald; ze waren alleen gedoopt in de naam van de Heer Jezus. Na het gebed legden Petrus en Johannes hun de handen op, en zo ontvingen ze de heilige Geest. Toen Simon zag dat de mensen door de handoplegging van de apostelen vervuld raakten van de Geest, bood hij Petrus en Johannes geld aan en zei: ‘Geef ook mij deze macht, zodat iedereen wie ik de handen opleg de heilige Geest ontvangt.’

Simon zag het, dus het was direct heel zichtbaar.

Maar wat te doen dan als al die gaven bij ons niet werken? want we kunnen het niet zelf maken, dat moet God doen.

Eigenlijk liet God de oplossing al in het visioen aan die zuster zien, waar ik het in het begin over had: door aanbiddende en reikende handen kan de kandelaar in ons midden komen te staan.
En er bestaat geen groter feest dan dat God als een levende God in ons midden komt, dat is veel en veel mooier dan veilig kerkje spelen…

De heilige Geest is in feite God van dichtbij nu. Door de gaven van de heilige Geest komt God nog dichterbij:
Hij spreekt tot je door profetie,
Hij raakt je aan om lichamelijk of innerlijk te genezen.
Hij brengt dingen aan het licht. Hij jaagt een boze geest weg.
Door de klanktaal lokt hij je naar de bovennatuurlijke wereld, zijn wereld.

Maar willen we God wel zo dichtbij hebben? Is dat het probleem?
Willen we Hem wel Koning laten zijn in ons midden en Hem zijn gang laten gaan?

En door de gaven komen we ook dichterbij elkaar te staan, worden we transparanter voor elkaar. Misschien is dat wat ons beangstigt, wat ons afremt?

Of hebben we angst voor het bovennatuurlijke waar wij minder controle op hebben?

Of is het gewoon onwennigheid?

 

De vijfvoudige bediening

Jezus is de grote architect van de gemeente, een gemeenschap van een stel eigenwijze, lieve, zondige en hopelijk verlangende mensen.

De gaven en bedieningen zijn het steigerwerk om het huis te kunnen bouwen, het zijn middelen, het is dus niet het belangrijkste, maar het steigerwerk is voorlopig wel onmisbaar.

Het belangrijkste is het huis zelf, dat is de relatie met God en elkaar. Hoe meer Gods heilige Geest er is, hoe dieper de relatie wordt. Bij God staat de liefde boven alles. Het is niet de bedoeling dat we een indrukwekkend steigerwerk gaan krijgen met een armzalig huisje in het midden. Daarom zegt Paulus ook:
Jaagt de liefde na
en streeft naar de gaven van de Geest. En de gaven zijn als het ware de handen van de goddelijke liefde.

Behalve de gaven geeft de heilige Geest ook bedieningen, die trouwens nauw met de gaven samenhangen. Er zijn allerlei bedieningen. Wij zijn allemaal onmisbaar, maar God geeft sommigen een meer uitgesproken taak in de gemeente.
Dat lezen we in Efeziërs 4:11-12:
Hij is het die apostelen heeft aangesteld, en profeten, evangelisten, herders en leraren, om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst.

Dus een gemeente die door Jezus gebouwd wordt ziet deze bedieningen werken.

We beginnen met de laatsten. Dat zijn de herders en leraren. Die worden hier in één adem genoemd, die bedieningen liggen dicht bij elkaar. Deze mensen hoeden en onderwijzen de gemeente. In het nieuwe testament worden de herders ook presbyters, opzieners, oudsten of voorgangers genoemd, maar het is steeds dezelfde bediening. Het idee van één voorganger met daaronder oudsten is de hiërarchische vorm nog uit de katholieke kerk: de pastoor met zijn kapelaans. Het woord ‘voorganger’ komt ook niet in enkelvoud voor in de Bijbel.

Een oudste of herder herken je doordat hij veel met mensen bezig is. Hij ontvangt mensen thuis en gaat bij ze op bezoek, hij heeft een passie voor het zielenheil van de mensen in de gemeente.
En natuurlijk leidt hij de kudde, zoals een gewone herder dat ook doet.

Een oudste heeft verschillende geestelijke gaven nodig, en zeker die van wijsheid.
En een leraar heeft natuurlijk de gave van kennis nodig.

Daarnaast heb je de diaken, die zorgen voor de materiële zaken in de gemeente.

Verder is er de evangelist, die haalt de mensen de kerk binnen.
Hij heeft vaak de gave van genezing en de gave van onderscheid van geesten.
En profeteren doet een evangelist ook makkelijker.
Hun passie is mensen winnen voor Jezus.

En als eerste dus noemt Jezus de apostelen en profeten, die je trouwens ook vaak samen ziet werken.

In principe heeft de apostel alle gaven.
In I Kor. 12: 12 zegt Paulus:
Alles wat een apostel tot apostel maakt, heb ik u laten zien: elke volharding, alle tekenen en wonderen, elke kracht.

Een apostel start gemeentes op, hij legt het fundament en stelt mensen aan.
Hij is onvermoeibaar, een pionier die de weg baant, ook met bovennatuurlijke krachten.

De profeet geeft boodschappen van God door aan de gemeente. Hij geeft de visie, de richting aan. Hij geeft openbaringen door en profeteert over mensen persoonlijk om ze te corrigeren en te bemoedigen. Net zoals de herder en de leraar spreekt hij ook de gemeente toe.
Hij heeft natuurlijk minstens de gave van profetie.

En als je dat allemaal leest en hoort, dan zou je kunnen denken, zie nou wel, daar heb je weer zo’n geestelijke bovenlaag!

Maar dat vers over de bedieningen moeten we wel goed lezen:
Hij is het die apostelen heeft aangesteld, en profeten, evangelisten, herders en leraren, om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst.

Dus het gaat om de gewone mensen, zij moeten toegerust worden om God te kunnen dienen in zijn kracht. Daar staat dus niet dat de apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraren al het werk moeten doen. Integendeel!

En zo ook is het dus ook nooit de bedoeling geweest om in rijtjes achter elkaar te gaan zitten in de kerk om de anderen aan het werk te zien daar vooraan. Want iedereen heeft wat, zegt de Bijbel.

Als je daar allemaal over leest in de Bijbel en daarover nadenkt dan besef je dat we daar met z’n allen nog een beetje ver vanaf staan. God is duidelijk in wat hij wil, maar wat willen wij?

In de verschillende gemeenten ontstaan hierdoor regelmatig spanningsvelden. De ene groep wil de heilige Geest meer zien werken en de andere groep ziet dat niet zitten, die willen alles bij het oude houden en in rijtjes achter elkaar blijven zitten en luisteren naar wat er daar voor gezegd wordt. Want God is een God van orde zeggen zij.

Maar iedere keer dat er een opwekking ontstaat is dat omdat er teruggegrepen wordt op het Woord. Het wordt bestudeerd en gehoorzaamd en er wordt veel gebeden en dan schiet de vlam erin.

Daarom is het belangrijk dat we samen het Woord bestuderen om zijn wil te leren kennen en volhardend bidden en smeken tot een God die gebeden verhoort. En laten we bidden dat Hij opnieuw zijn Geest uitstort over de gemeenten.

Want wie vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan. Welke vader onder jullie zou zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats van een vis een slang geven? Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen.’ (Lucas 11:10-13).